Hoe bepaal ik het vezelgehalte in mijn product?

Er zijn verschillende soorten koolhydraten, waar ook suikers en vezels toe behoren. De etiketteringswetgeving verplicht om koolhydraten en suikers te vermelden in de voedingswaardedeclaratie. Vezels mogen op vrijwillige basis vermeld worden, tenzij er een claim met betrekking tot vezel op de verpakking staat. In dat geval is het ook verplicht om vezels in de voedingswaardevermelding op te nemen.

De hoeveelheid vezels speelt voor de consument een belangrijkere rol bij de aankoop van brood (18% in 2018; 23% in 2020 bron GfK). Een belangrijke overweging om vezels op te nemen in de voedingswaarde etikettering. Daarnaast draagt vezelanalyse bij aan een meer nauwkeurige bepaling van calorische waarde en hoeveelheid koolhydraten. Voldoende redenen om het vezelgehalte van uw producten te bepalen. Hoe kunt u dat het beste doen?

Een betrouwbare bepaling van het vezelgehalte (zo dicht mogelijk bij het werkelijke gehalte) is belangrijk voor correcte informatie op het etiket, als ook voor het gebruiken van eventuele voedings- en gezondheidsclaims. De voedingswaarde, inclusief vezelgehalte, van een product kunt u op verschillende manieren bepalen. Daarnaast zijn er ook nog verschillende analysemethodes beschikbaar bij het laboratorium. Welke kunt u het beste gebruiken? In dit artikel leest u het advies van NBC.

Ondanks dat er meerdere manieren zijn om het vezelgehalte van een product te bepalen, adviseert NBC een analyse door een geaccrediteerd laboratorium uit te laten voeren. Dit wordt gezien als “de gouden standaard” en meest nauwkeurige methode om de voedingswaarde van uw product te achterhalen. Een analyse levert u gegevens op van uw specifieke (eind)product, waarbij rekening is gehouden met het productieproces. Zodra er wijzigingen ontstaan in de receptuur, is een nieuwe analyse dan ook aan te raden.

Het is niet wettelijk voorgeschreven welke analysemethode u moet gebruiken om het vezelgehalte in voedingsmiddelen te bepalen. NBC adviseert te kiezen voor een methode die het beste past bij uw product en de analyse uit te laten voeren door een geaccrediteerd laboratorium. Dit verkleint de kans op verschillen tussen producten en maakt het voor de consument mogelijk om producten te vergelijken.

Reguliere graanproducten
De AOAC methode 991.43 is toereikend voor (graan)producten waarin geen extra vezels worden toegevoegd en die geen tot weinig vezels met een laag moleculair gewicht (zoals FOS of inuline; polymerisatiegraad ≤9) bevatten. Dat geldt voor het meeste reguliere brood.

Graanproducten met toegevoegde vezels
Bevat het (graan)product wel toegevoegde vezels en/of vezels met een laag moleculair gewicht, dan is de AOAC 2009.01 een betere keuze.

Claims over specifiek type vezel
Indien een voedings- en/of gezondheidsclaim over een specifiek type vezel op het (graan)product wordt vermeld, is het van belang dat er inzage is in de hoeveelheid van dit specifieke type vezel. Zo is de AOAC methode 995.16 geschikt voor bepaling van bèta-glucaan en de AOAC methode 2002.02 voor resistent zetmeel (RS2 en RS3).

In december 2012 heeft de Europese Commissie een handleiding gepubliceerd voor bevoegde autoriteiten voor controle op de naleving van de wetgeving. In deze handleiding zijn de verschillende analysemethoden voor de voedingsvezelbepaling opgenomen (onder documentatie vindt u een lijst met erkende analysemethoden voor voedingsvezels en een toelichting wat deze methoden meten).

 

De gekozen analyse (methode) en nauwkeurigheid van die methode, bepaalt welke en hoeveel vezels worden gemeten en uiteindelijk gedeclareerd kunnen worden. Het is daarom van belang een methode te gebruiken welke het beste aansluit bij de eigenschappen van het product.

Er zijn veel verschillende soorten vezels. Er wordt onderscheid gemaakt tussen:
- niet-zetmeel polysachariden (hoog moleculair gewicht, polymerisatiegraad >9)
- resistent zetmeel (polymerisatiegraad >9)
- oligosachariden (laag moleculair gewicht, polymerisatiegraad ≤9)

Figuur 1. Verschillende soorten koolhydraten onderverdeeld in verteerbare koolhydraten (wit) en vezels (blauw). Bron: Dai & Chau, 2017.

De Europese Commissie adviseert gebruik te maken van de AOAC analyse. Er zijn diverse AOAC vezelanalyses beschikbaar. Een bekende methode is de AOAC 985.29. Deze methode meet met name grote vezels (polymerisatiegraad >9). De kleinere vezels (polymerisatiegraad ≤9) en resistent zetmeel worden niet gemeten met de AOAC 985.29 en worden ten onrechte gekenmerkt (en dus gedeclareerd) als verteerbare koolhydraten. Dit leidt tot een onjuist, hoger koolhydraatgehalte en daarmee een hogere energiewaarde (kcal) in de voedingswaardedeclaratie. Nederlandse autoriteiten hebben deze methode in 2005 afgewezen om het totale vezelgehalte mee te bepalen; de hoeveelheid vezel wordt namelijk soms onderschat.

De AOAC 991.43 is een verbetering van de AOAC 985.29. Deze vernieuwde methode meet ook alleen grotere vezels (polymerisatiegraad >9). Kleinere vezels en resistent zetmeel (RS type 1, 2, 4 en 5) worden met deze methode niet gemeten (onderschat) (Figuur 2), maar de nauwkeurigheid en prijs van deze analyse zijn wel gunstig. Bovendien is deze analyse in de markt breed geaccepteerd, wat maakt dat producten met elkaar vergelijkbaar zijn op vezelgehalte, zoals vermeld op het etiket. De AOAC methode 991.43 is daarom prima geschikt voor producten die geen toegevoegde vezels of vezels met laag moleculair gewicht (lage polymerisatiegraad (≤9)) bevatten. Dat geldt voor veel bakkerijproducten.

NB: Veelal van de vezelgehalten van levensmiddelen in de NEVO-tabel zijn gebaseerd op de AOAC 985.29 en 991.43. Bovendien zijn vezelbepalingen met de AOAC methodes ook geschikt om te gebruiken voor de Nutri-Score berekening.

Figuur 2. Vezelcomponenten die wel, niet of gedeeltelijk worden geanalyseerd met AOAC Methode 991.43. Alle componenten worden meegenomen in de AOAC Methode 2009.01. Bron: McCleary & Cox, 2017.

De AOAC 2009.01 meet het totaal aan voedingsvezels die onder de Europese wettelijke definitie vallen, dus zowel grote als kleine vezels en resistent zetmeel; de Europese Commissie heeft dan ook aangegeven dat de AOAC 2009.01 de meest geschikte methode is om vezel (volgens de wettelijke definitie) te analyseren. Van deze analysemethode is echter bekend dat de hoeveelheid van bepaalde typen vezels – resistent zetmeel (RS2 en RS4) en FOS (fructo-oligosacchariden) – lichtelijk wordt onderschat. Om dit op te lossen kan naast de AOAC 2009.01 ook de AOAC methode 2002.02 worden uitgevoerd, wanneer verwacht wordt dat het product deze vezeltypen bevat. De resultaten van beide analyses geven een compleet beeld van de hoeveelheid vezels inclusief resistent zetmeel in het product (Roman & Martinez, 2019).

De AOAC 2009.01 is voor producten die vezels met laag moleculair gewicht bevatten of waaraan extra vezels zijn toegevoegd (zoals inuline) een betere keuze dan de vaak gebruikte AOAC 991.43: vezels zijn namelijk van belang voor de gezondheid en etiketteren van meer vezels is daarom relevant. Echter, de kosten voor deze uitgebreidere analyse zijn hoger, dus voor producten die geen extra vezels of vezels met laag moleculair gewicht bevatten is deze analyse niet nodig.

Analysemethode bepalen
Gezien de veelheid aan mogelijkheden van vezelanalyses, kan het verstandig zijn advies in te winnen. Specialisten van FoodBase kunnen u helpen bij het bepalen van de juiste methode bij uw product en een analyse voor u uitzetten bij een geaccrediteerd laboratorium. Een offerte kunt u hier aanvragen. Om de juiste analysemethode te bepalen, is het belangrijk dat de specialisten van FoodBase inzicht hebben in de productspecificaties.

Voeding- en gezondheidsclaims
Om een voeding- of gezondheidsclaim te kunnen noemen op of bij uw product, moet worden voldaan aan de bijbehorende voorwaarden van die claim. Voor de voedingsclaim ‘bron van vezels’ is de voorwaarde dat het product 3 gram vezel per 100 gram bevat. Omdat de hoeveelheid vezel van belang is, is het wenselijk dat het vezelgehalte zo dicht mogelijk bij de werkelijke hoeveelheid wordt geanalyseerd. Het is daarom erg belangrijk te kiezen voor de juiste analysemethode. In geval een vergelijkende voedingsclaim wordt gemaakt, is het belangrijk af en toe te controleren of de gegevens nog juist zijn en aan de voorwaarden voor de claim wordt voldaan